De oorsprong
In 1903 kocht Josep Batlló het eenvoudige huis in de prestigieuze omgeving van de Passeig de Gràcia, hoewel hij vond dat het gebouw zijn reputatie als zakenman geen recht deed. Om zich van de massa te onderscheiden, wilde hij een architect opdracht geven een nieuw, uniek gebouw te ontwerpen. Een jaar later schakelde hij de gerenommeerde architect Antoni Gaudí in, die in Barcelona al een park, een kerk en privéhuizen had gebouwd. Hij was degene die Josep overtuigde om de kelder, begane grond, tuin en nog vier verdiepingen te behouden en zijn gedurfde plannen op de bestaande structuur toe te passen.
Gaudí's meesterwerk
Noch Josep noch zijn vrouw stelde grenzen aan Gaudí, waardoor hij zich volledig kon uitleven als kunstenaar en architect. Hoewel het geheel geïmproviseerd lijkt, had Gaudí duidelijke ideeën voor zijn avant-gardistische modernistische meesterwerk: het moest ook functionele aspecten vervullen, zonder dat de artistieke vormgeving daaronder leed. Om de verschillende zones onafhankelijk van elkaar te laten functioneren, creëerde hij drie ingangen: voor het onderste deel (begane grond, bedrijfsruimten en kelder), voor de hoofdverdieping (de privéwoning van de burgerlijke familie) en voor de huurappartementen erboven. Ook aan de luchtcirculatie werd tijdens de bouw gedacht.
De doorgang naar de dienstruimten | Foto: Unsplash, Burak Aslan Indrukwekkend spel van licht en kleur
Door het hele huis zorgen kleurrijke, reliëfachtige mozaïeken in combinatie met de lichtfilosofie van Gaudí voor een decoratief effect. Dat valt vooral binnen op. Om licht in het huis te brengen, werd het midden van het gebouw uitgehold en kreeg de trap van de bewoners een theatrale rol. Zorgvuldig bracht Gaudí hier een bijzonder kleurverloop in de mozaïekstenen aan: hoe verder ze van de lichtbron liggen, hoe lichter ze worden, waardoor het effect sterker wordt en de hele ruimte verlicht lijkt.
Gaudí hield zelfs bij de plafonds niet op | Foto: Unsplash, Laura Seidlitz De natuur als inspiratie
Tijdens de cultureel-maatschappelijke vernieuwingsbeweging van het Catalaans modernisme (Modernisme Català) tussen 1890 en 1910 stond de natuur centraal in artistieke creaties, terwijl de evolutietheorie in de 19e eeuw ook veel stof deed opwaaien. Vermoed wordt dat Gaudí zich liet inspireren door het boek Twintigduizend mijlen onder zee van Jules Verne en door zijn jeugd, die hij grotendeels in de natuur doorbracht. Het lijkt alsof Gaudí in Casa Batlló een onderwaterwereld zonder rechte lijnen wilde creëren. Het huis wordt doorkruist door wervelingen op vloeren en plafonds en door natuurlijke elementen, zoals de ruggengraat van een zeedier die de grote trap vormt. Op de deuren van de appartementen staan ook geen nummers, maar letters die zwierig in goudkleur zijn aangebracht.
De ribbenkast van de draak
Op de zolder komen esthetiek en functionaliteit samen, waardoor de ruimte een heel bijzondere charme krijgt. Oorspronkelijk diende de minimalistisch ontworpen zolder als doorgang naar de dienstruimten van de huurappartementen, waaronder was- en opslagruimten. De ruimte wordt uitsluitend verlicht door het zachte licht dat in de zestig opeenvolgende tongewelven valt, waardoor het effect van een ribbenkast of ruggengraat van een draak ontstaat.
De hoofdverdieping
De hoofdverdieping van het gebouw beslaat 700 m² en diende vroeger als privéwoning van de familie Batlló. Deze omvat onder meer een hal met bovenlichten die aan schildpadschilden doen denken; de hele zone roept een onderwaterwereld op, met gebogen muren in kronkelende vormen en een spectaculaire houten trap. Je komt uit bij de werkkamer van Josep Batlló, met een haard in de vorm van een paddenstoel. De ruime, naar de straat uitstekende ramen van de hoofdzaal bieden een fascinerend uitzicht op de Passeig de Gràcia; Gaudí ontwierp ze bewust als een tribune, om te zien en gezien te worden. Vanuit de eetkamer bereik je het terras aan de achterkant van het huis, dat uitsluitend voor de familie was gereserveerd. Gaudí creëerde hier een kleine oase, bedoeld als bescherming tegen de drukte van de rokende stoomlocomotieven.
Op het dak van het huis | Foto: Flickr, Antonio Picascia - CC-BY-SA 2.0 De draak op het dak
Vermoed wordt dat Gaudí zich voor het dak van het huis liet inspireren door de mythe van Sint-Joris, de beschermheilige van Catalonië. Volgens de legende redt hij de prinses met zijn zwaard van de vuurspuwende draak. Naast het zijprofiel van het mythische wezen, gevormd door een groot aantal ruitvormige dakpannen in rood, blauw en groen, kan ook het trappenhuis met het vierarmige kruis worden geïnterpreteerd als de lans van de ridder die in het pantser van het dier steekt. Gaudí versierde de toren ook met de monogrammen van Jezus, Maria en Jozef om zijn diepe geloof uit te drukken. De keramische knop die naar het kruis toe loopt, brak tijdens het transport vanaf Mallorca. Hoewel de fabrikant hem wilde vervangen, besloot Gaudí de stukken weer samen te laten voegen, waarmee hij opnieuw zijn Trencadís-stijl benadrukte (Trencadís betekent in het Catalaans “breken”: een mozaïek van keramiektegels, marmer of glas in fragmenten van verschillende grootte).
De gevel van Casa Batlló | Foto: Unsplash, Anna Murzilon De schitterende gevel
Ontelbare pleisterfragmenten met gekleurde glasscherven en stukken keramiek sieren de helder glanzende, golvende gevel, die doet denken aan het glinsterende wateroppervlak van een meer met waterlelies. Fijn ogende zuilen, die van een afstand op botten lijken maar uit fijne steen zijn gehouwen, vormen de grote, onregelmatige, ovale raampartijen van de bel-etage. Daarom wordt de gevel vaak organisch genoemd; daaraan dankt het gebouw zijn naam “Casa dels Ossos” of “Huis van de Botten”. Van dichtbij zijn op de zuilen ook bloemmotieven te zien.